Je rijdt door de witte stad Beer Sheva en het is half twaalf, je magneetgordel trilt van de honger, en dan ruik je het: verse falafel, net uit de frituur, in een warme pita met tahini en een bergje salade. Dat is Israël op zijn allerbest. Niet het standsbeeld van de Klaagmuur, niet de oude stad van Jeruzalem, maar gewoon een kraampje waar een jongen van je drie bollen falafel gooit en vraagt: amba erbij?
▶Inhoudsopgave
En eerlijk gezegd? Ik heb in veel landen falafel gegeten.
In Utrecht, in Den Haag, in een Brusselse frituur op een regenachtige dinsdagavond. Maar in Israël is het anders.
Niet omdt het recept drastisch wijzigt — het blijft kikwortelen, knoflook, koriander, komijn — maar omdat het er een ding is. Iedereen eet falafel. De taxichauffeur, de student in een coffee shop op Rothschild Boulevard, de soldaat met zijn M16 op een bankje in de schaduw. Het is het nationale gerecht, en daar zijn mensen trots op.
Waarom falafel in Israël anders is
In Nederlands noemen we het een snack. In Israël is het een maaltijd, een gespreksonderwerp, een familiestrijd.
Joodse Israëli's zeggen dat het van hun is. Palestijnen zeggen dat het van hun is. De waarheid zit er waarschijnlijk ergens in het midden, maar wie er het meest gelijk heeft?
Dat bespreek ik liever niet. Ik ben een reisschrijver, geen historicus.
Wat me opvalt is dat de beste falafel je niet in een fancy restaurant vindt, maar in een klein kraampje waar de ober — sorry, de eigenaar — met een schrapende stem roept: "Neshef of tehila?" (met of zonder toeslag). De toeslag is meestal een knoflooksaus, amba — dat is een pittige mangosaus — en soms een bordje van gemalen knoflook. Dat is het geheime wapen.
De beste kraampjes en restaurants
Mijn persoonlijke favoriet? Dat is lastig, maar ik ga het proberen. Er zijn merken die je kent, zoals Israël Idoed Reizen en Beter Reizen, die vaak samenwergen met lokale ondernemers, en die weten waar het goed is.
Maar de echte kunst is om zelf op pad te gaan. Naast de beste hummusrestaurants in Tel Aviv en Jeruzalem, is in Tel Aviv Falafel Gabai in de Carmel-markt een must.
Het is druk, luid, en de rij loopt soms tot buiten de overdekte markt. Maar het is het wacht waard.
De bollen zijn knapperig van buiten, zacht van binnen, en de pita is versgebakken. En voor minder dan 20 shekels heb je een volledige maaltijd. In Jeruzalem, vlak bij de oude stad, vind je Lina Falafel, een klein kraampje dat al generaties lang draait.
Het is een beetje een geheim, maar de locals weten het. Het is niet de meest comfortabele plek — geen bankje, geen airconditioning, geen Wi-Fi — maar de falafel is subliem.
De beste reistijd en smaakvolle tijdstippen
En als je daarna de Klaagmuur bezoekt, draag dan een kippa. Dat is geen verplichting, maar het is respectvol, en dat waarderen mensen. En voor wie het comfortabeler wil: de trein van Tel Aviv naar Jeruzalem is sneller en comfortabeler dan de bus, dus neem die. Dat geldt trouwens ook voor de buslijnen van Egged, die de ruggengraat van het openbaar vervoer vormen, maar die zijn minder geschikt voor toeristen.
De beste tijd om falafel te eten in Israël is tussen maart-mei of oktober-november, als het niet te heet is en je nog even kunt genieten. In de zomer is het vaak boven de 40 graden, en dan is een warme falafel in een pita minder aangenaam.
Maar in het voor- en najaar is het ideaal. Het weer is aangenaam, de drukte is minder, en je kunt rustig zitten.
Wat ik altijd opvalt is dat de beste falafel vaak niet in de meest bekende plekken zit, maar in de kleine straatjes. In Jaffa, bijvoorbeeld, langs de haven, zit een klein kraampje dat niet eens een naam heeft, maar waar de eigenaar al dertig jaar dezelfde recepten gebruikt. Geen toeristen, geen Instagram, gewoon goede falafel.
Praktische tips voor de reiziger
Als je naar Israël gaat — en ik raad het iedereen aan, want het is veiliger dan veel Nederlanders denken — neem dan een geldig paspoort mee met minimaal 3 maanden geldigheid na terugkeer. Vergeet ook niet om je te verdiepen in de fantastische vegetarische en veganistische keuken; dat is geen suggestie, dat is absolute vereiste.
En lokale kennis maakt het verschil. Groepsreizen zijn ideaal voor eerste bezoekers, maar een individuele rondreis geeft meer vrijheid, en vaker genoeg vind ik die vrijheid onmisbaar.
De beste vluchten naar Tel Aviv vertrekken vanaf Schiphol, Düsseldorf of Brussel met een tussenstop. KLM, El Al, Israir Airlines — ze hebben allemaal goede verbindingen. En als je aankomt, neem dan een trein naar Jeruzalem.
Die is sneller en comfortabeler dan de bus. En als je een kraampje ziet, en de eigenaar roept: "Met amba?" — zeg dan ja.
Dat is een pittige mangosaus, en het is het lekkerste dat je ooit hebt geproefd. En als je daarna de Klaagmuur bezoekt, draag dan een kippa. Niet omdat je dat moet, maar omdat het respectvol is, en omdat je zo meer betrokken raakt bij het land. Vergeet ook niet om heerlijke halva en zoetigheden te proeven; falafel in Israël is meer dan eten.
Het is een manier van leven. En als je het eenmaal hebt geproefd, begrijp je waarom mensen terugkeren.
Niet alleen voor de smaak, maar voor het gevoel. Dat vind ik trouwens het mooiste van reizen: dat een simpele bal met kikwortelen je verbindt met een land dat zoveel meer te bieden heeft dan je ooit had durven dromen.